Had hij maar…

15 april 2019 0 Door Petri

  ‘Mooi Petri, wat jij doet met Slotzin. Ik zou willen dan mijn vader iets had opgeschreven over zichzelf.’ Paul perst zijn lippen op elkaar.

   ‘Is hij allang overleden?’

   ‘Ik was vijf, hij dertig.’

   ‘O jee.’

   ‘Ja, kanker.’ Hij kijkt me indringend aan.

   ‘Lust je koffie, trouwens?’

Paul kijkt op zijn horloge.

   ‘Oh, tijd zat. Ja lekker, een bakje koffie gaat er altijd in.’

   ‘Heb je nog herinneringen aan je vader?’ vraag ik vanuit de keuken.

   ‘Amper, ik zie een paar vage beelden voor me. Eén dat hij aan tafel zit en zijn mond heel ver open trekt om een hap van zijn broodje te nemen en één dat ik op zijn rug zit en hij als paard door de kamer kruipt. Maar dat laatste heb ik verzonnen, denk ik.

   ‘Verzonnen?’ Ik zet de koffie voor hem neer.

   ‘Ja, ik weet niet zeker of dat een echte herinnering is of dat ik een beeld ben gaan vormen  bij een foto. Ik heb namelijk ook een foto dat ik op zijn rug zit.’

  Ik snap het, zo gaat dat bij jeugdfoto’s. Je fantaseert daar onbewust verhalen bij en op den duur ga je die geloven. Ik herken dat wel.’

   ‘Ja klopt en ik heb dat bij heel veel foto’s, waar mijn vader opstaat. Je wilt toch iets invullen, blijkbaar.’ Paul blaast in zijn koffie. ‘Ik heb een foto dat mijn vader en ik aan het vissen zijn. Tenminste, we zijn bij een visvijver en er is een hengel. Door die foto ben ik over vissen met mijn vader gaan fantaseren. Ik zie echt een beeld voor me dat we samen een worm aan het haakje vastmaken. Ik zie zelfs zijn handen.’ Bij het woord zijn, maakt Paul imaginaire aanhalingstekens in de lucht. ‘Mijn moeder vertelde later dat we nooit gingen vissen. Misschien waren we aan het fietsen en hebben we een praatje gemaakt met iemand die aan het vissen was en dat toen een foto is gemaakt.’ Paul neemt een slok van zijn koffie.

   ‘En je moeder? Kan zij je niet wat meer vertellen over je vader?’

   ‘Ze heeft eigenlijk nooit heel veel over hem gesproken. In het begin was ik nog klein natuurlijk en herinner ik me daarvan ook niet veel. Moeder is kort daarna hertrouwd met de broer van papa. Ze is hem nooit vergeten, hoor, maar zo ging dat in die tijd.’ Hij drinkt zijn koffie in één teug op. ‘Maar goed, gelukkig heb ik de foto’s nog!’ De treurnis die ik daarvoor nog in zijn gezicht zag, lacht hij weg.

   ‘Er zijn toch wel meer mensen, die je vader hebben gekend. Kunnen zij je niets vertellen over hem?

   ‘Weet je Petri, wat ik altijd merk als iemand iets vertelt over papa? Diegene vertelt dan altijd vanuit de zienswijze, zoals die persoon naar de wereld kijkt. Ik heb twee ooms, waarvan één mijn stiefvader is geworden. Zij vonden papa altijd onverantwoordelijk, omdat hij geen degelijke baan had. Vader was kunstschilder en verkocht blijkbaar niet veel. Mijn ooms werkten op een kantoor en in de bouw en hadden een stabiel inkomen. Dat mijn vader daar niet voor koos, was voor hen onbegrijpelijk. Je begrijpt wel dat alles wat ze over papa vertellen door hun ogen en met hun oordelen is gezien.’

Ik knik.

   ‘Zo ook mijn oma. Het was een heel lief mens, maar ook heel angstig. Als zij over papa vertelde, vond ze hem roekeloos en zocht hij volgens haar altijd grenzen op. De beelden die mijn oma schetste, had ze zelf ingekleurd. Snap je?’

   ‘Jazeker, Je ziet de wereld niet zoals die is, maar zoals je bent.’

   ‘Juist en daarom had ik zo graag gehad dat mijn vader zelf had opgeschreven hoe hij naar de wereld keek. Waarom hij bepaalde keuzes maakte, wat hij mooi vond, wat hem gevormd had.’

We zwijgen. Paul kijkt op zijn mobiel.

   ‘Mijn plicht roept, ik moet gaan.’

   ‘Dus alle beelden die je over je vader hebt, zijn een illusie.’

   ‘Daar komt het wel op neer.’ Hij knikt.

   ‘Misschien moet je daar dan over gaan schrijven,’ lach ik.

   ‘Ja, met als titel: ‘De illusie, die vader heet.’ Paul slaat me vriendschappelijk op mijn schouder. ‘Nou, als ik dat ooit wil gaan doen, dan bel ik je.’